FAQ

Frequently Asked Questions

Altena FAQ
Staat uw vraag er niet tussen neem dan contact op met ons.


Altena Dakspecialiteiten
Kilbystraat 6
8263 CJ Kampen
Tel.nr. 085-0495030
info@altena-groep.nl

Kort en bondig: nee, deze zijn niet verplicht. Worden geen noodoverlopen toegepast dan wordt dit ‘afgestraft’ met het in rekening moeten brengen van een hogere regenwaterbelasting in vergelijking met het wel toepassen van noodoverlopen. In de formule voor de bepaling van de waterhoogte, die kan ontstaan als alle hemelwaterafvoeren verstopt zijn, is de hoogte van de noodafvoer gelijk aan de hoogte van de dakrand op het laagste punt van het dak of, als wel een noodafvoer aanwezig is, de afstand van de bovenzijde van de dakbedekking op het laagste punt tot de onderzijde van de noodafvoer opening. En dat kan in sommige situaties schelen.

De waterhoogteberekening die de dakbelasting bepaald is als volgt uit: dhw = dnd + hnd

Hierin zijn:

  • dhw = de waterhoogte ter plaatse van de dakrand of de noodafvoer
  • hnd = de hoogte van de noodafvoer boven het dakvlak
  • dnd = de waterhoogte boven de noodafvoer; deze is afhankelijk van het soort en het aantal noodoverlopen en het dakoppervlak. Elke soort overloop heeft zijn eigen formule. Vraag hiervoor de constructeur van het gebouw.

In het Bouwbesluit is vermeld dat bij nieuwbouw de capaciteit van het hemelwaterafvoersysteem moet voldoen aan de norm NEN 3215 ‘Gebouwriolering en buitenriolering binnen de perceelgrenzen’. Hiermee en met rekenprogramma’s op basis van deze norm kan de dimensionering van het afvoersysteem bepaald worden.

In tegenstelling tot hetgeen velen denken stelt het Bouwbesluit in het geheel geen eisen aan het afschot van daken. Verwarring hierover is ontstaan doordat in de norm NEN 6702 ‘Belastingen en vervormingen’ dat in oppervlakken die water moeten afvoeren zodanig afschot moet zijn aangebracht, dat ook bij de doorbuiging in de eindtoestand vanuit elk punt water wordt afgevoerd naar de aanwezige afvoerpunten. Dit is om te voorkomen dat waterplassen op platte daken e.d. achterblijven. Een afschot van ten minste 1,6% tezamen met de genoemde doorbuigingseis is voldoende om in geval van bijvoorbeeld sneeuwbelasting, plasvorming door smeltwater te vermijden. Bij daken samengesteld uit liggers, gordingen en platen moet met de doorbuiging van de samenstellende delen rekening zijn gehouden waardoor een groter afschot nodig kan zijn.

Velen denken dat de norm 6702 in het Bouwbesluit volledig van kracht is verklaard. Dit is niet het geval. Het Bouwbesluit verwijst uitsluitend voor de sterkte van de bouwconstructie naar de norm NEN 6702. In de norm wordt gesproken over ‘uiterste belastingscombinaties’. Windbelasting is een belastingscombinatie die in de NEN 6702 voorkomt, dus windbelasting is een Bouwbesluit item. Afschot daarentegen is geen belastingcombinatie en dus geen Bouwbesluit-item. Wateraccumulatie, door bijvoorbeeld gebrek aan afschot, is wel een belastingcombinatie en dus een Bouwbesluit-item.

De in de norm opgenomen tekst inzake het afschot is bedoeld om calamiteiten door overbelasting van de draagconstructie door wateraccumulatie te voorkomen; hij is niet bedoeld uit oogpunt van levensduur van de dakbedekking. Onvoldoende afschot veroorzaakt plasvorming op de dakbedekking. Deze plasvorming kan nadelig zijn voor de levensduur van de dakbedekking. In welke mate de levensduur eventueel nadelig wordt beïnvloed is afhankelijk van veel factoren, waaronder vervuiling die in de plassen achterblijft. Algemene regels ten aanzien van de mate waarin plasvorming acceptabel is zijn niet te geven, behalve dan dat goed afschot de levensduur niet nadelig beïnvloedt. 

Soms wordt ook gesproken over zogenaamde toelaatbare plasvorming op daken. Men accepteert dan een hoeveelheid water op het dak (direct na regen) van maximaal 5% van het dakoppervlak, mits deze hoeveelheid is verdeeld over meerdere plassen. De diepte van de plassen mag daarbij maximaal 5mm zijn.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat iedere instantie vrij is zijn eigen regels te hanteren. 

Als hoge esthetische eisen aan de dakbedekking worden gesteld is plasvorming meestal bezwaarlijk vanwege een afwijkend uiterlijk en soms kleur dat ontstaat door vervuiling. Pas in die gevallen een geballaste dakafwerking of meer afschot toe.

Of een opstalverzekering stormschade vergoedt, hangt af van de vraag of het wel om storm gaat. De verzekeraar zal dit controleren bij het KNMI. Officieel spreken we van storm vanaf windkracht 9. Een verzekeraar vindt echter dat het stormt bij windkracht 7 (14 meter per seconde). Ontstaat tijdens een storm schade aan de dakconstructie, dan kan dit gemeld worden bij de verzekeraar van het gebouw, tenzij de verzekeraar afwijkende criteria hanteert.

Bij een koel-/vriescel is de warmtestroom, en dus de dampstroom, overheersend tegengesteld aan de stroom die bij een normaal dak plaatsvindt. Als bij deze constructies een dampdichte of dampremmende laag wordt toegepast – en dat is in sommige gevallen niet altijd noodzakelijk – dan bevindt die laag zich veelal aan de bovenkant van de dakconstructie. 

Bij het realiseren van een dak boven een zwembad is het voorkomen van damp in de dakconstructie nog belangrijker; het vochtgehalte is in de ruimte onder het dak altijd erg hoog. Een dampdichte laag is bij een dergelijk dak een must en met name de aansluitingen van die dampdichte laag op de muren en de draagconstructie dienen goed uitgedetailleerd te worden.

Door de oxidatie van het oppervlak van de TPO-dakbaan, en bij sommige TPO’s is dat al redelijk vlot nadat ze op het dak zijn aangebracht, is TPO lastig opnieuw aan elkaar te lassen. Het kan zelfs voor komen dat de lassen goed lijkt te gaan maar dat de las na een aantal weken het toch weer begeefd. Het best is een reparatie met een vloeibaar materiaal Kemperol in combinatie met een FPO-primer waarbij de oude TPO eerst aan een hechtingstest moet worden onderworpen.

Ja, net als alle materialen krimpt harde isolatie en zet het uit bij temperatuurverschillen. De uitzettingscoëfficiënt van bijvoorbeeld EPS is 0,07mm/m.K. Dus bij 30° temperatuurverschil ontstaat al een lengteverschil van 2mm per meter. Bij het isoleren van een koelcel of koelhuis op een warme dag is het dus risicovol: het temperatuurverschil van overdag in de zon naar de koeling in gebruik kan dan redelijk oplopen.

EPS krimpt ook direct na het produceren, de geboortekrimp. EPS moet dus daarom al naar gelang de toepassing langere of korte tijd rusten voordat ze geleverd wordt. 

PIR kent geen geboortekrimp. Maar bij PIR kan wel schotel vorming optreden na het aanbrengen. Daarom moet PIR altijd op alle 4 de hoeken worden verbonden met de onder-/dakconstructie, tenzij de constructie geballast wordt.

Geëxpandeerd polystyreen (Engelse afkorting: EPS, naar expanded polystyrene) of PS-hardschuim is een karakteristieke en voorheen vrijwel altijd witte kunststof, in de volksmond piepschuim of Airpop genoemd. 

Polystyreen ontstaat door polymerisatie van het monomeer styreen. Styreen wordt op industriële schaal gemaakt uit ethylbenzeen door dehydrogenatie, dat op zijn beurt gemaakt wordt door alkylatie van benzeen met ethyleen. Na de polymerisatie wordt een blaasmiddel (pentaan) toegevoegd en worden dichte korrels gevormd. EPS-verwerkers verhitten de korrels met stoom; de korrels zetten dan uit en worden aan elkaar gesmolten. Na afkoeling resulteert dit in een blok, plaat of vlokken geëxpandeerd hardschuim.

Een kubieke meter EPS bevat ongeveer 10 miljoen bolletjes, ook wel parels genoemd. Elke parel heeft ongeveer 3000 gesloten, met lucht gevulde cellen. Naar volume bestaat EPS slechts voor ongeveer 2% uit polystyreen en voor 98% uit lucht. Het is dan ook zeer licht met een dichtheid van 15 tot 40 kg/m³. Vocht en waterdamp kunnen de isolatiewaarde van EPS aantasten, het komt in de openingen van de cellen.

EPS is een goede warmte-isolator. De warmtedoorgangscoëfficiënt (λ) is, afhankelijk van de dichtheid en het toegepaste materiaal, ongeveer 0,035 W/(m.K). Vroeger waren EPS-isolatieplaten hagelwit, maar tegenwoordig wordt met de toevoeging van grafiet een grijze EPS gemaakt die een hogere isolatiewaarde heeft door reflectie in de cellen, zoals bijvoorbeeld de Kameleon van Unidek.

De aanduiding van de EPS-kwaliteiten was in het verleden gebaseerd op de volumieke massa. Sinds 2000 geldt de Europese geharmoniseerde norm, NEN-EN 13163 en is de aanduiding gebaseerd op de druksterkte bij 10% vervorming (een materiaaleigenschap dus, géén toelaatbare spanning).

Het grote verschil tussen een stoeptegels en een draintegel is te benoemen in 2 onderdelen: de maatvastheid en de waterafvoerende mogelijkheid. 

Een stoeptegel wordt doorgaans in een zandbed gelegd en dat zandbed kan hoogteverschil opvangen. Dit kan op een dak niet en daarom moet de draintegel veel strakker in de maatvoering zijn.

Een stoeptegel hoeft geen water door te laten. Een draintegel wel en daarvoor bezit de draintegel spleten aan de zijkanten en een uitholling aan de onderkant. Hierdoor steunt de draintegel op 4 pootjes en kan er nooit water blijven “hangen” tussen de tegel en blijft er over het algemeen minder vuil onder de tegels liggen. De waterafvoer bij een draintegel is belangrijk.

Een bekend type draintegel is de Dreentegel® van de firma Zoontjens.

Ja, het toepassen van bijvoorbeeld een gepunte daktrim en antiklim regenpijpbeugels mag. Maar de volledige aansprakelijkheid voor letsel bij kwaadwillende inbrekers kan volledig bij de gebouweigenaar komen te liggen.

Volgens de NEN 5087 zijn deuren, ramen, kozijnen, lichtkoepels en daarmee gelijk te stellen constructie-onderdelen inbraakgevoelig als die volgens de regels in de norm bereikbaar zijn voor inbraak.  Zijn ze inbraakgevoelig dan hebben ze een volgens NEN 5096 bepaalde inbraakwerendheid met weerstandsklasse 2 nodig. Dit is een wettelijke verplichting voor nieuwbouwwoningbouw, maar is ook toepasbaar voor utiliteitsbouw.

Een dak of geveldoorbraak is bereikbaar volgens NEN 5087 indien (samenvatting, zie ook bijgaande tekeningen):

      • De onderzijde van de doorbraak lager ligt dan 5,5 m ten opzichte van het maaiveld.
      • De doorbraak grenst aan een zogenaamd bereikbaarheidsvlak (werkvlak) waarbij de afstand tussen bereikbaarheidsvlak en het maaiveld minder is dan 3,50m of dit vlak bereikt kan worden door ergens vanaf te springen met een afspringhoogte die minder is dan 3,50m. Het bereikbaarheidsvlak moet dan wel groter zijn dan 0,4 x 0,4m (bijvoorbeeld een vlak dak of een balkon). De doorklimhoogte van de onderkant van de doorbraak vanaf het bereikbaarheidsvlak is daarbij minder dan 2,40m.

Bij het verwerken van EPDM kunnen 2 aandachtpunten van belang zijn voor een goed resultaat:  

  • Indien een contactlijm gebruikt wordt om de EPDM op de onderconstructie te lijmen, gebruik dan een bij de EPDM behorende contactlijm en laat deze na het aanbrengen zodanig uitdampen/opdrogen dat ze dof is en niet glanzend is. Als de lijm wordt aangeraakt mag ze net niet aan je vingers blijven plakken.
  • Als een PUR-lijm wordt gebruikt let er dan op dat bij half bewolkt warm weer de zon niet op de net aangebrachte EPDM gaat schijnen. Doordat PUR-lijm even tijd nodig heeft om uit te harden en de zon ervoor zorgt dat de EPDM gaat uitzetten, kunnen er rillen in de EPDM gaan ontstaan die na afkoeling en uitharding van de lijm niet meer wegtrekken. Het dak is wel dicht, maar het ziet er niet uit.

De enorme dampdichtheid van EPDM zorgt ervoor dat er geen damp aan de bovenkant uit de dakconstructie kan verdwijnen. Dat betekent dat er dus voor gezorgd moet worden dat er geen damp in de constructie kan komen en dus dat er onder de isolatielaag een dampdichte laag van goede kwaliteit moet worden aangebracht. Deze is net zo belangrijk als de toplaag EPDM en dient daarom ook met grote zorgvuldigheid te worden aangebracht. Een dunne PE-folie is dan waarschijnlijk te kwetsbaar om een goede dampdichte laag te maken.

Daar waar toch condens onder tegen de EPDM kan komen en de EPDM bevestigd is met contactlijm, kan de contactlijm op termijn, onder invloed van dat condensvocht, verzepen en loslaten.

De woorden zeggen het al: de een remt dampdoorvoer en de ander stopt dampdoorvoer. Dampdoorvoer stoppen wordt over het algemeen gedaan met een flinterdun laagje aluminium. Aluminium is het meest dampdichte materiaal dat toch eenvoudig verwerkbaar is, en dat is ook de reden dat het vaak gebruikt wordt bij luchtdicht verpakkingsmateriaal zoals pakken fruitdrank.

Indien gekozen wordt om een geïsoleerde dakconstructie te voorzien van een enkele laag isolatieplaten dan wordt bij de berekening van de Rc ervan uitgegaan dat de naad tussen de platen zorgen voor een bepaald verlies aan isolatiewaarde. Indien de enkele plaat vervangen wordt door meer platen en deze worden zodanig gelegd dat de naden van onder naar boven niet doorlopen, en er dus geen vrije warmtestroom is, dan scheelt dit uiteraard bij het isoleren van het gebouw. Maar in de berekeningen mag voor deze verbetering niks meegenomen worden omdat dit soort relatief kleine aanpassingen verdisconteerd is in de lambda-waarde van het isolatiemateriaal.

Bij isolatiemateriaal en het plaatsen van dit materiaal wordt vaak gesproken over Rc- en Rd-waarden. In beide staat de R voor Resistance, of weerstand. 

De Rd-waarde is de warmteweerstand van een isolatiemateriaal zelf. De “d” staat voor hierbij voor “declared”, de waarde zoals opgegeven door de fabrikant. Deze “d” wordt de laatste tijd steeds meer vervangen door de “m” van materiaal. Hoe hoger het getal van de Rm of Rd, hoe beter de warmteweerstand van het materiaal zelf.

De Rc-waarde is de warmteweerstand of het isolerend vermogen van de hele constructie, dus het dakbeschot, de luchtlagen en het isolatiemateriaal etc, of de muren en het isolatiemateriaal tezamen, maar ook de (negatieve) invloed van bevestigers en ankers. Ook hierbij geldt: hoe hoger het getal, hoe meer warmte wordt tegengehouden.

Om snel en eenvoudig een weerstandvergelijking te maken tussen de verschillende isolatiematerialen hebben we een overzicht voor u samengesteld. Klik hier!

Load More